Terug naar de startpagina. Oude Raadhuis met torentje en bordes uit 1806. werd als raadhuis tot 1963 en sinds 1990 gebruikt als huisvesting voor de Heemkundekring en VVV. Heilige Luciakerk, neogotische kerk uit 1859 gebouwd door H.J. van Tulder. Brits militaire begraafplaats en laatste rustplaats voor 665 Britse 
		militairen Televisietoren Mierlo is een 105 meter hoge zendmast uit 1957. Kasteelboerderij aan de Kasteelweg uit omstreeks 1700 behoorde oorspronkelijk
 bij Kasteel Mierlo. De huidige standerdmolen zou gebouwd zijn in 1640 en stond op het hei-eind. In 1858-1860 werd de molen overgeplaatst naar de dorpskern van Mierlo. Patronaatsgebouw uit 1914, het familiewapen bevindt zich boven de ingang.
        Kasteel Myerle, informatie Lettertype verkleinen    Lettertype herstellen     Lettertype vergroten    
Heksenvervolging in Mierlo in 1595
 

September 1595 was voor 5 mierlose vrouwen een donkere maand. Erasmus van Grevenbroeck kruiste hun pad en boog het in een goede week tijd, om naar de brandstapel.

Een heksenjacht wordt wel omschreven als een “massale beschuldiging en vervolging van mensen zonder dat hun schuld bewezen is.” Met enige regelmaat komen dit soort bewegingen voor zoals tegen de joden in de tweede wereldoorlog, tegen albino’s in Afrika en tegen de Rohingya in Myanmar. Recentelijk is met #metoo een actie gestart tegen onheuse, voornamelijk seksuele benadering. In de meeste van deze jachten is er meer sprake van verwachtingen dan feiten en wordt er vaak gehandeld vanuit de gedachte: ‘waar rook is, is vuur’. In de 16e eeuw was er in Europa sprake van een echte heksenjacht waarbij die laatste gedachte wel erg feitelijk werd. In Nederland zijn zo’n 250 mensen veroordeeld en gedood in deze jacht, waarvan zeker 80 % vrouwen. In Peelland belanden 35 ‘heksen’ op de brandstapel, waarvan 15 onder het bewind van de Heer van Mierlo Erasmus van Grevenbroeck en daarvan waren er 5 uit Mierlo en 3 uit ’t Hout, allemaal vrouwen. Over de vervolging in Mierlo handelt dit stuk. Aan het einde staat aanvullende literatuur vermeld ook betreffende de vervolgingen in de andere plaatsen in onze regio.



Tekening van heksverbranding in de 16e eeuw.

Inhoud:

Inleiding

In de jaren aan het einde van de 16e eeuw was het leven voor de gewone man en vrouw in onze regio niet gemakkelijk. Er was vaak honger en levensbedreigende ziektes, in de vorm van epidemieën, kwamen veelvuldig voor. Oorlogen en lokale twisten deden de bevolking ook al geen goed. De kerk speelde soms een kwalijke rol, waarbij het eigen belang van de kerk of de dienaar Gods veelal voor ging op dat van de bevolking. Ook hiervan kent Mierlo een voorbeeld. Europa was in de ban van heksenprocessen voortkomende uit de inquisitie en gebaseerd op de Heksenhamer.
Dit boek, officieel Malleus Maleficarum, uit 1487, is geschreven door een dominicaner monnik (of twee dat is niet helemaal duidelijk) die zeer gedreven was in het zuiveren van de mensheid vooral van mensen die banden hadden met de duivel. In de Heksenhamer werd uitgebreid beschreven wat een heks is, hoe die te herkennen en hoe die te berechten. Feitelijk komt het altijd neer op de doodstraf voor hen die schuldig bevonden worden. En vaak komt het er ook op neer dat iemand die aangeklaagd wordt die dans nauwelijks nog kan ontspringen. Via Godsgerichten en scherpe examinatie werd de schuld bepaald en het vonnis snel voltrokken.
In de 13e en 14e eeuw werden heksen gezien als mensen die konden toveren en die hun magie gebruikten om mensen vooruit te helpen (witte magie) of om andere mensen te schaden (zwarte magie), door huizen, beesten en oogsten te vervloeken. In de 15e en 16e eeuw veranderde het beeld, de kerk en ook de gewone mensen gingen de heksen met de duivel associëren. Ze zouden op diens opdracht kinderen vermoorden en mensen ziek maken. Ook hadden ze fysieke omgang met de duivel. Heksen werden dan ook verdacht van de volgende aspecten, die bij de ondervragingen van de verdachten in de heksenprocessen steevast aan de orde komen: 1. Een verbond met de duivel, 2. Seksuele relaties met de duivel, 3. Vliegen door de lucht, 4. Duivelssabbat bezoeken, 5. Slechte tovenarij bedrijven ten aanzien van andermans zaken (dieren en gewassen) en 6. Kinderen of anderen mensen vervloeken en doden

Erasmus van Grevenbroeck, Heer van Mierlo en Lierop, lijkt in de loop van 1595 op zoek naar zijn eigen heksenprocessen. In Cranendonk en Leende zijn er dan al vooraf gegaan. Erasmus ontvangt vanuit Eindhoven en Geldrop informatie dat daar, door de verdachte heks Jenneke Goessens uit Leende, namen uit Mierlo zijn genoemd. Hij krijgt te horen dat het ene Mariken en ene Lysken zijn, die wonen nabij de kerk en nabij de markt. Achternamen worden niet genoemd.
Voor Erasmus is dit voldoende en hij zet schout en schepenen van Mierlo aan het werk. Het lot voor Marie Baten is daarmee getrokken.
Uit een verslag van een overleg van de schepenen van Mierlo:
"Zoals onze heer te kennen geeft, en wij zelf ook wel weten, staat Marie Baten bekend als tovenares. Ze is weggegaan uit Mierlo naar Holland, maar kortgeleden teruggekeerd. Onze heer is op 8 september jl. door een schrijven van een goede vriend, naar ons is gebleken, gewaarschuwd dat in Geldrop een vrouw uit Mierlo is beschuldigd, en dat het gaat om een zekere Marie die bij de kerk woont. Onze heer vermoedt dat het gaat om Marie Baten, die de kunst heeft geleerd van wijlen haar moeder, ook bekendstaand vanwege tovenarij. Hij wijst erop dat officieren in de omgeving er werk van maken om tovenarij te bestraffen en dat hij daar in Mierlo niet bij kan achterblijven. Daarom wil hij Marie oppakken en alle anderen die eventueel nog beschuldigd worden, en hij vraagt daarvoor onze instemming. Wij vinden het goed dat hij de procedure tegen Marie begint en ook tegen alle anderen die door haar of anderen nog zullen worden beschuldigd."

Hiermee werd het startsein gegeven voor een korte maar meedogenloze jacht op heksen in het gebied van de Heerlijkheid Myerle, die uiteindelijk leidt tot de dood van 5 vrouwen op de brandstapel op 18 september nabij het Galgenberg op de Strabrechtse heide. En daarbij blijft het niet, want Erasmus krijgt het ook nog voor elkaar om een week later 10 heksen (7 vrouwen uit Lierop en 3 uit Mierlo-Hout) veroordeeld te krijgen tot de brandstapel.

Heemkundekring Myerle heeft samen met Wim Steenbakkers en toneelgroep De Koffieleutjes de heksenprocessen weer tot leven gebracht in een lezing gevolgd door een fietstocht langs de plekken waar een en ander zich heeft afgespeeld. In de lezing heeft Wim Steenbakkers aandacht besteed aan de gebeurtenissen in Mierlo destijds en daarbij ook aangestipt hoe het in Lierop en Asten verliep. Hierbij baseerde hij zich met name op de informatie die Johan Otten heeft opgenomen in zijn uitgebreide beschrijving van de heksenprocessen in Zuid-Oost Brabant met als titel Duivelskwartier. Dit boek is in 2015 verschenen bij Uitgeverij Vantilt (zie ook de aanvullende literatuur).

naar boven

Fietstocht 2 september 2017

We volgen de fietstocht en de personen die we daarbij tegenkomen. De tocht start bij het Oude Raadhuis in Mierlo. De route van de tocht ziet u op dit kaartje. De plekken die zijn aangedaan en waar de bij de processen betrokkenen hun monoloog hielden zijn gemarkeerd.

Vanuit Mierlo gaat de tocht naar een uithoek van de Heerlijkheid Myerle in 1595, grenzend aan het gebied van Helmond en Asten. Daar lag aan de rivier de Aa de Stipdonkse watermolen. Van deze watermolen die inmiddels volledig is verdwenen, zijn nog enkele tekeningen bewaard gebleven die in 1817 door de Franse ingenieur Sermoise zijn gemaakt. Mogelijk komt dit het beste overeen met de molen zoals die daar ruim 220 jaar daarvoor stond. Bij de Stipdonkse watermolen zijn de meeste waterproeven voor de Mierlose beklaagden gehouden. Niet allemaal, die van Marie Baten vond in Geldrop plaats.

naar boven

Marie Baten

Bij de plek waar de Stipdonkse watermolen oorspronkelijk lag treffen we Marie Baten. Zij vertelt haar verhaal.

Marie Baten is de eerste die in Mierlo beschuldigd wordt. Ze is de dochter van Baetken Simons die bekend staat om haar toverkunsten. Vanzelfsprekend wordt aangenomen dat een moeder die kunsten aan haar dochter leert en hiermee is het voor de bevolking een heldere zaak dat Marie een heks is. Ze heeft de koeien van Marten Cuijpers betoverd en die worden daardoor ziek. Ook lijkt ze verantwoordelijk voor de dood van Jan Claessen (of Jan Claeskens). Voor Erasmus van Gevenbroeck is het dan ook allemaal zo klaar als een klontje. Marie is een heks die op 9 september gearresteerd wordt en als ze bekent een heks te zijn, veroordeeld moet worden om “gestelt de worden aen eenen staeck en aldaer leevendich te worden geexecuteert metten vyere soe datter de doet naervolghe”. Erasmus kondigt ook af dat tovenarij in zijn gebied zwaar bestraft zal worden en dat allen die zich daaraan schuldig maken opgepakt zullen te worden. Hij heeft daarvoor immers carte blanche gekregen van de schepenen.

Marie is echt overtuigd van haar onschuld en vraagt er zelf om de waterproef te mogen ondergaan, ze denkt zeker daarvoor te slagen. Dit past Erasmus goed en hij stemt dan ook direct in. Op 11 september wordt Marie naar de watermolen in Geldrop vervoerd en daar wordt de test uitgevoerd. Het verslag  daarvan, ondertekent door drie Mierlose schepenen (president-schepen Hendrik Diercx, schepen Willem Gheven en schepen Peter Gulden) laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.
“Op heden XIen septembris 1595 is Marie Baten met kerre gevuert vuijt Mierlo nae Geldrop ende nae voergaende vergunnen van de aerde ende water is aldaer geproeft in den molenwiel ende merckelijck gevonden te blijven boven op dwater, nijet sinckende tot drije reijsen toe, net tegenstaende die groote dipte van den water, met spiesse gemeeten ende nijet cunnen gegronden ende oijck nijet tegenstaende sij met handen ende voeten is gebonden geweest ende haer die corde los en lanck op dlijff geworpen. Attesterende oijck dat haer lichaem suetelijck te water gestelt sijnde dat terstont tselve licheam merckelijk hem heeft omgeworpen te weeten met het aensicht ende buijck om leech ende rugge ende billen omhooch ende grootelijck aerbeijdende metten hofde om onder te coomen, is eevenwel boven gebleven.”

(Heden, 11 september 1595 is Marie Baten met de kar vanuit Mierlo naar Geldrop gebracht, waar ze de proef heeft afgelegd in het water van de molenwiel. Daarbij is vastgesteld dat ze is blijven drijven op het water. Tot drie keer toe is ze niet gezonken. Dit niettegenstaande de grote diepte van het water, die met langer stokken is gemeten maar waarvan de bodem niet kon worden bereikt. Niettegenstaande ook dat zij met handen en voeten gebonden is geweest en dat het touw waaraan ze vastzat los langs haar hing. Wij stellen ook vast dat haar lichaam rustig te water is gesteld en dat ze zich onmiddellijk heeft omgegooid, te weten met haar gezicht en buik omlaag en de rug en billen omhoog en dat ze met haar hoofd veel moeite deed om onder water te raken, maar dat ze toch boven is gebleven.- vertaling van Johan Otten -)

De waterproef is een Godsoordeel en een bewijs van onvoldoende gewicht. Een Godsoordeel hield feitelijk in dat men het oordeel uit handen gaf. Als God vond dat de aangeklaagde schuldig was dan liet hij die persoon drijven, als Hij vond dat die onschuldig was dan liet hij de aangeklaagde zinken. Er waren meer Godsoordelen zoals de vuurproef – waarbij de aangeklaagde over hete kolen moest lopen of een heet stuk ijzer in de hand moet houden, genazen de wonden niet snel genoeg dan was je een heks (de vuurproef was inmiddels verboden omdat daarmee veel te makkelijk gemanipuleerd kon worden) -, de kruisproef - kon de aangeklaagde lang genoeg blijven staan als een kruis dus met de armen in de breedte gespreid - en het heilige bede - hierbij moest een stuk wittebrood met kaas worden gegeten zonder zich te verslikken -. Een tweede reden om in de waterproef te geloven was dat heksen, aangezien ze op een bezem konden vliegen, veel lichter dan gewone mensen moesten zijn. Doordat ze zo licht waren, bleven ze drijven op water.

De waterproef is op zich niet zo moeilijk te omzeilen. Als je goed uitademt en je zo rond mogelijk maakt dan zink je. Maar of de mensen dat toen al wisten is maar de vraag, zwemmen was geen vorm van vrije tijds besteding. De meeste mensen hadden waarschijnlijk nog nooit gezwommen. Daarnaast waren de vermeende heksen van de spanning niet in staat om rustig na te denken, mogelijk waren ze zelfs in paniek, waardoor het heel aannemelijk is dat ze eerder flink lucht in de longen namen. Het is ook bekend dat bij meerdere waterproeven de aangeklaagde die zonk, zo langzaam uit het water werd gehaald dat die inmiddels verdronken was. Het voordeel was dan wel dat ze onschuldig gestorven waren en begraven mochten worden in de gewijde grond op het kerkhof. In Mierlo is het niet voorgekomen dat een aangeklaagde bij de waterproef zonk en dus onschuldig was. Bij de vervolging in Asten die enkele weken later begon is dat wel aan de orde geweest.
De waterproef was in 1595 in een groot gedeelte van Nederland al verboden, maar in het zuiden nog niet. Zuid Nederland viel onder Brussels gezag en daar is de waterproef langer in gebruik geweest. Het verbod is daar afgekondigd 8 november 1595. Net te laat voor de Mierlose heksen dus.

Zeker na het afschaffen van de waterproef kwam de heksenwaag meer in beeld. Hierbij was er geen Godsoordeel meer, maar wel een gewichtsproef. Als iemand te licht was voor zijn of haar postuur dan was men een heks. Als je zwaar genoeg was dan kreeg je een verklaring van waagmeester en kon je daarmee aantonen onschuldig te zijn. In Nederland was een heksenwaag in Oudewater. Dit is de meest bekende in heel Europa, ook omdat Keizer Karel V deze heksenwaag gecertificeerd had. In de video hiernaast wordt de heksenwaag toegelicht. Zover bekend hebben geen Mierlonaren gebruik gemaakt van de heksenwaag.

In deze video (met Engelstalige toelichting) worden de heksenprocessen en het gebruik van de waterproef en de heksenwaag besproken

Na de waterproef werd Marie Baten teruggebracht naar het kasteel in Mierlo. Ze was hevig teleurgesteld aangezien ze niet verwacht had de waterproef niet te doorstaan. Of ze inmiddels zelf twijfelde omdat ze door God schuldig verklaard was is niet bekend. Op het kasteel moest ze ondervraagd worden, want voor een veroordeling is een bekentenis van de aangeklaagde nodig. De ondervraging die uitgevoerd werd door de schepenen van Mierlo onder aanvoering van president-schepen Hendrik Diercx, ging niet altijd even zachtzinnig. Als het nodig was om het gewenste antwoord de krijgen werden de middelen van de scherpte examinatie (foltering) ingezet.
Hiervoor werd dan Beul meester Hans uit Roermond (Hans van Ruremonde) ingezet die ook de voltrekking van het vonnis voor zijn rekening nam. Meester Hans is waarschijnlijk Hans Diepenholt, afkomstig uit de familie van beulen uit Roermond. In die tijd wat het gebruikelijk dat het beroep overging van vader op zoon. Meester Hans is overigens ook een algemene term om een beul aan te duiden, dus het zou een andere beul geweest kunnen zijn. In hoeverre de schepenen met scherpe examinatie gedreigd hebben is niet bekend, wat we wel weten is dat Marie Baten snel bekende en dat bij haar dus geen scherpe examinatie nodig was. Ze gaf aan niet te weten waarom ze bleef drijven, maar vroeg aan van Grevenbroeck wel genade. Ze bekende het betoveren van de koeien van Marten Cuijpers. Maar ook die van Willem Gheven (de schepen) en van Dierick Roeffen. In haar bekentenis is te lezen: ‘Gevraeght wat sy by de woorden tooveren is verstaende? Seet dat men doer tooveren alle quaet soude mogen doen soo aen menschen, beesten ende anderssins.’ Verder verklaart Marie over haar omgang met de duivel. Alle heksen werden ervan verdacht om omgang met de duivel te hebben en zo het ‘ware geloof’ te verloochenen. Hiermee werd door het wereldlijk gezag ook meteen de goedkeuring van het kerkelijk gezag verkregen, immers omgang met de duivel werd door de kerk absoluut veroordeeld. Hiermee waren de heksen ketters en was het ter dood brengen van hen geen probleem vanuit geloofsoogpunt. De duivel waarmee Marie omgang had noemde zich Lucifer en vertoonde zich in de gedaante van een in het zwart geklede man. Marie verklaarde ook had hij een koud aanvoelend lichaam en geslacht had en dat ze heel vaak gemeenschap met hem gehad had. Lucifer had haar veel rijkdom in het vooruitzicht gesteld en met haar toestemming voorzichtig het Chrisma van het voorhoofd gekrabd. Het Chrisma ontvang je bij de doop. Daarmee word je kind van God. Doordat de heks het Chrisma laat wegkrabben, verlaat ze dus feitelijk ook het geloof. Deze thema’s zien we bij heel veel processen terugkomen. De Heksenhamer, het handboek voor de ondervragers, verwees daar ook uitdrukkelijk naar. Seks was is 1595 sowieso al een beladen onderwerp en de openlijkheid waarmee heksen dat bedreven was dan ook bij voorbaat al beschamend. Met dit soort bekentenissen werd ook de goedkeuring van het gewone volk verkregen, want men snapte heel goed dat dit soort gedrag toch echt niet kon en het was dus een goede zaak dat de machthebbers tegen deze mensen hard optrad.

In de bekentenis van Marie werd ook gesproken over de dansen die de heksen in Mierlo op de heksensabbat hadden uitgevoerd samen met hun duivels. Marie noemde in haar bekentenis de namen van een aantal vrouwen, Jenneke Goessens – de bekaagde uit Geldrop die haar feitelijk had verraden - Lys Cuypers, Lyncken Pastoirs, Heil Bellen en Jenneken Gordtkens.
De schepenen hebben de verklaring van Marie Baten opgetekend en op 12 september voorgelegd aan Erasmus van Grevenbroeck. Hij zal daarmee zondermeer content zijn geweest. Hij had nu een aantal zaken rond. Marie kende dus Jenneke Goessens en dus was het daarmee zeker dat de verklaring van Jenneke, waarop alles gebaseerd was, klopte. Hij had de Lysken waarover Jenneke verklaarde (Lys Cuypers) in beeld en hij had zijn heksen zodat hij de processen kon voortzetten. Daarbij komt nog dat Erasmus zich lichamelijk niet zo goed voelt. Hij denkt dat hij ook betoverd is en moet er toch achter zien te komen wie dat geweest is.
Voor Marie zag het er inmiddels heel beroerd uit. Nadat de schepenen haar de verklaring hebben voorgelezen en zij die nogmaals bevestigde, was de weg naar de brandstapel de enige die haar nog restte. In de dagen die volgen wordt de verklaring nog een aantal keren aan haar voorgehouden en telkens wordt haar ook gevraagd naar nog meer namen. Het meerdere keren voorleggen van de verklaring gebeurt om te voldoen aan de ‘vrijwillige confessie’. Iemand kan slechts veroordeeld worden als hij/zij geheel zonder dwang een bekentenis aflegt. Een eerste verklaring/bekentenis mag onder dwang worden verkregen, maar die moet dan later vrijwillig worden bevestigd, wordt een verklaring dan ingetrokken dan is die niet meer geldig. Natuurlijk kan dan wel met scherpe examinatie opnieuw een ondervraging starten. Marie voldoet aan dat verzoek en noemt namen uit Lierop, Mierlo-Hout en Helmond. De veroordeling in opdracht van Erasmus van Grevenbroeck wordt door de schepenen uitgesproken en beul meester Hans kan de voorbereidingen voor de executie gaan treffen.

naar boven

Heil Bellen

De fietstocht in 2017 gaat vanuit de Watermolen op Stipdonk terug over het kanaal in de richting van de Oude Goorenweg. Hieraan ligt het Oude Goor – een drassig beekdal – waar volgens de bekentenissen van de heksen zij hun duivels ontmoetten voor de heksensabbat waar zij de ‘dans’ met de duivels en elkaar uitvoerden en zich tegoed deden aan eten, drinken, dans en seks.
Aan het einde van de Oude Goorenweg, op Achterbroek treffen we Heijl Bellen. Zij vertelt ons over met name over haar omgang met de andere heksen en haar boel (duivel) op de heksensabbat.
Heil vertelt dat ze door Marie Baten is genoemd en daarna samen met 3 andere vrouwen is opgebracht naar het kasteel om daar gevangen te worden gezet. Ze zijn gezamenlijke naar de watermolen op Stipdonk gebracht om de waterproef af te leggen en daarna weer in de kerker geworpen. Geen van hen heeft de waterproef doorstaan. Eigenlijk, zegt Heijl, weet ze niet dat ze iets gedaan heeft. De mensen mogen haar niet zo, dat is waar maar alleen omdat Marie haar genoemd heeft, is ze opgepakt. Er zijn verder geen aantijgingen vanuit de gemeenschap. Uit de waterproef blijkt evenwel duidelijk dat Heijl een heks is en ze begint er zelf ook aan te twijfelen. Als ze hoort wat Marie Baten allemaal bekend heeft en dat er gedreigd wordt met foltering door de beul krijgt ze het toch wel erg moeilijk. Zou ze dan toch echt een heks zijn? Ze geeft aan dat ze van Lys Cuypers, die lijkt een beetje de spil van de heksengemeenschap te zijn, een aantal jaren geleden wel eens wat te hebben aangenomen. Dat zal dan wel toverkunst zijn geweest. Dat Lys een heks is, vindt ze niet zo vreemd, want die heeft inderdaad wel wat rare dingen gedaan. Op aandringen van de schepenen vertelt ze ook dat ze van Marie Baten wat toverkunst heeft geleerd. Daarmee lijkt het bewijs rond: Heijl is een heks en moet veroordeeld worden. Er moeten echter ook wel daden benoemd kunnen worden. Hier komt de knecht van van Grevenbroeck, Dirk Fransen, te hulp. Hij werkt op het kasteel en verzorgt onder andere de gevangenen. Zijn naam komt in meerdere dossiers voor, zowel in de Mierlose als in de Lieropse, en steeds zodanig dat zijn broodheer vooruitgeholpen wordt. Dirk weet te melden dat in het dorp velen weten dat Heijl een tovenares is en dat hij dat zelf ook vindt. In de loop van het verhoor komt daar nog bij dat Heijl beesten heeft betoverd. Welke en bij wie is niet vastgelegd, blijkbaar vonden de schepenen dat niet belangrijk. Bij elkaar is het bewijs wat dun, maar geholpen door haar ondervragers weet Heijl ook nog te melden dat ze Claes Ariens uit Lierop heeft betoverd, zodat hij ziek werd en aan die ziekte is overleden. Voor het dorp, inclusief de weduwe Ariens is dit nieuwe informatie. Zij had tot nu toe er niet aan gedacht dat haar man, die een ziekbed van anderhalf jaar gehad heeft, wel eens betoverd zou kunnen zijn. Maar als dat zo is dan heeft ze misschien ook haar zoon wel betoverd want ook die kampt met vergelijkbare ziekteverschijnselen. Of het allemaal waar is weet ze niet, maar voor de zekerheid stuurt ze haar zoon toch maar naar het kasteel om door Heijl onttoverd te worden. Helaas voor haar zoon laat Erasmus dat niet toe. In het verhoor, dat geheel zonder foltering lijkt plaats te vinden, noemt Heijl de namen van een viertal vrouwen uit Lierop. Hiermee kan Erasmus zijn jacht op heksen uitbreiden naar dat gedeelte van zijn heerlijkheid.

Zoals bij Marie ook het geval was, wordt aan Heijl gevraagd hoe haar omgang met de duivel was. Heijl geeft aan dat haar boel Barlebas heet en dat ze hem in eerste instantie heeft weten te weerstaan. Maar hij had haar zwakke plek gevonden. Ze had ernstige geldzorgen en Barlebas beloofde die te zullen oplossen en haar in goeden doen te zullen laten verkeren als ze God verzaakte en gemeenschap met hem wilde hebben. Uiteindelijk heeft ze toegegeven. Barlebas verscheen haar als een in het zwart geklede man wiens stem eigenaardig klonk. Het leek alsof hij praatte met ‘pap in de mond’. Heijl geeft toe regelmatig met haar boel op de dans te zijn geweest, met name in Lierop op de boerderij van Ariens. Verder heeft ze sinds 7 jaren ook vaak gemeenschap met hem, zelfs ’s-morgens al ze bij haar man in bed ligt.
Heijl heeft het met name over haar omgang met de andere vrouwen, waarvan een aantal nu ook beschuldigd zijn als tovenares. Ze lijkt zich nauwelijks bewust van datgeen waarvan ze beschuldigd wordt en lijkt uit angst naar de mond van de schepenen te praten. Voor hen is de zaak rond en de bekentenis van Heijl wordt haar een aantal keren voorgelezen en ze wordt gevraagd die te bevestigen. Volgens de documenten doet ze dat geheel vrijwillig en zonder enige vorm van dwang. Hiermee staat de weg open naar haar veroordeling.

naar boven

De heksensabbat of heksendans

Kenmerkend in alle processen in Mierlo en omgeving, behalve die van de hoogbejaarde en demente Griet Mijnsheeren uit Lierop, is dat de heksen met hun boel samenkomsten vieren. De heksen vieren hun sabbat op aangewezen plekken en springen daarbij geweldig uit de ban. In de processen in Mierlo (en heel Peelland) komt een grote overeenkomst naar voren. Het lijkt bijna te toevallig dat die verklaringen zo goed overeenkomen, mogelijk dat dat te wijten is aan de manier van ondervragen door de schepenen dan wel aan de manier van optekenen door de secretarissen. In Mierlo komen de heksen samen zowel in het dorp, voor het huis van Lys Cuypers aan de Markt, als op Overakker, in de tuin van de pastorie. Ook wordt er gedanst bij de boerderij van Claes Ariens in Lierop, in het Oude Goor en bij de molen op het Moleneind tussen Geldrop en Mierlo. In de verklaringen wordt de aanduiding sabbat niet gebruikt, alleen de term dans wordt gebezigd. Uit de verklaringen in Mierlo blijken ook geen uitspattingen zoals elders in Europa wel voorkomen. Hier worden geen padden gegeten en worden geen ongeboren of zeer jonge baby’s gebarbecued of gekookt. Er wordt geen gewag gemaakt van een buitengewoon bacchanaal waarbij wijn wordt gedronken uit koeienhoorns. Er zijn zelfs geen katten die meedansen. Anderzijds blijkt uit de verslagen dat de schepenen is deze ook niet erg veel doorvroegen. Er is in het algemeen sprake van zeer korte verklaringen. Er werd gevraagd of ze ten dans gingen met hun boel, verder werd er dan gevraagd of ze seks hadden met de duivel en verder wie en nog meer aanwezig waren. De antwoorden hierop waren voldoende voor het doel van de ondervraging. Verdere informatie was niet echt nodig. Zodoende weten we ook niet hoe de heksen hun dans bereikten. Daar werd niet echt naar gevraagd. Nergens lezen we dat de heksen op bezems vlogen. Slechts sporadisch wordt iets over de verplaatsingen vermeld. Zo weten we van Jenneken Gordtkens  en haar boel dat vanuit Geldrop “sij vlogen over de heije naer huijs op swerte peerden”. Bij Lys Cuijpers is te lezen dat ze vliegzalf gebruikten uit de smeerpot die zij beheerde. Dit zwart/witte smeersel had ze gemaakt van mensenbotten die ze gestolen had op het kerkhof en van mensenvet dat haar boel Struijs haar gegeven had.
Dat mengsel smeerden ze onder de oksels, op de borsten en hier en daar op het lichaam. Hierna konden ze door het rookgat het huis uitvliegen, al of niet op de schouders van hun boel. Tijdens de dans is er vrijwel altijd voldoende drank (zowel wijn als bier) en eten. Veelal is er ook muziek, zij het dat er geen uitbundige instrumenten zijn. Alleen Lyncken Pastoirs vermeldt een harp bij haar dans in Den Bosch. Steevast eindigt de dans met seks, blijkbaar zijn de schepenen daar wel in geïnteresseerd want daar wordt steevast op doorgevraagd. De dames beschrijven bijna allemaal dat de duivel een koud geslacht heeft Blijkbaar verlopen de sabbats of dansen altijd goed. Heijl Bellen laat optekenen: “na het boeleren gaan allen in vriendschap uiteen”.

naar boven

De vrouw van Matthijs de Smet

De fietstocht gaat verder naar het centrum van Lierop. We komen aan op Laan ten Boomen bij het huis van de secretaris van Lierop Matthijs de Smet. We noemen haar Anna. Anna is ziek, ze heeft last van haar hart en is ervan overtuigd dat ze betoverd is. Ze doet ons haar verhaal.

Anna zit in haar stoel onder de boom voor de boerderij en heeft het moeilijk. Ze is doorlopend erg moe en heeft last van haar hart. Ze heeft een heel zwaar leven om maar eens te spreken met de woorden van cabaretière Brigitte Kaandorp. Anna is ervan overtuigd dat ze is betoverd waardoor ze ziek geworden is. Ook zijn er beesten van haar man ziek geworden, ongetwijfeld ook betoverd. Net als bij een andere koe op Ten Boomen. Toen die gestorven was trof men in het hart van het dier vreemde voorwerpen aan onder ander “een quaden nest van haer”. Anna is ervan overtuigd dat dat bij haar ook het geval is. Volgens Anna heeft Lyncken Pastoirs uit Mierlo haar in haar hart getoverd, waardoor het niet goed meer werkt en ze zo moe is dat ze de hele dag niets meer kan doen.
Haar man - Matthijs de Smet - is hiervan ook overtuigd, dit blijkt uit zijn inspanningen om Lyncken Pastoirs vanuit Mierlo naar Lierop te krijgen om zijn vrouw te onttoveren. Net zoals bij de zoon van Claes Ariens, gaat dat niet lukken. Erasmus van Grevenbroeck geeft er geen medewerking aan.
Uit de verschillende bekentenissen wordt niet duidelijk wie Anna nu echt betoverd heeft. Lys Cuypers geeft in haar bekentenis aan dat zij, met instemming van de anderen, vrouw de Smet heeft betoverd. Lys geeft ook aan dat ze haren in het hart van een slachtoffer kan toveren. Opvallend is dat van alle bekentenissen die Lys heeft afgelegd geen van de slachtoffers haar heeft aangewezen als kwaaddoener.
Net als Lys geeft ook Jenneken Gordtkens aan betrokken te zijn geweest bij de betovering van Anna de Smet.
Maar het blijft voor Anna en Matthijs duidelijk dat het Lyncken is geweest.

 

 

De fietstocht gaat verder door Lierop naar de Wertstraat. In deze straat woonde verschillende vrouwen die in Lierop van hekserij werden beschuldigd. Nu worden de fietsers hier ontvangen door Wim Steenbakkers die geassisteerd wordt door een kleine heks. De deelnemers die ter plekke aankomen worden direct betoverd door de charme van de kleine heks en luisteren daarom geboeid naar de toelichting de Wim geeft op de vervolging zoals die in Lierop heeft plaatsgevonden.
Na onttoverd te zijn door middel van een snoepje van de kleine heks wordt de tocht voortgezet naar de Strabrechtse heide.

 

 

naar boven

Jenneken Gordtkens

Op de Strabrechtse heide komen de fietsers aan op de Galgenberg. Een beetje een lugubere naam, maar het is dan ook een lugubere plek geweest. Zeer waarschijnlijk was dit de plek waar Erasmus de brandstapel liet oprichten om de heksen te verbranden. Sommigen hebben hun twijfels over deze plaats, omdat het gebruikelijk was om misdadigers die met de dood bestraft werden bij voorkeur te bestraffen midden in het dorp. De meeste galgen vinden we dan ook op de markten, de centrale pleinen in de dorpen en steden. Dit met name vanwege het afschrikwekkende karakter van de terechtstelling. Het was goed als zoveel mogelijk inwoners konden komen kijken, dan wisten ze wat hen te wachten stond als ze zich niet goed gedroegen. Dat ook Erasmus van publiciteit niet vies was blijkt uit verschillende acties. Hij laat de heksen naar de Stipdonkse watermolen brengen met veel tam-tam, zodat toch iedereen maar kan komen kijken. Hij vraagt aan de pastoor om de klok te luiden voor dit ‘evenement’. Een ook de executies laat hij zonder uitstel doorzetten nadat ze zijn aangekondigd. Een verzoek van de monniken die de veroordeelden begeleiden in hun laatste uren om de terechtstelling te heroverwegen of tenminste uit te stellen wordt door hem resoluut van de hand gewezen.
Anderzijds was men in die tijd ook erg bang voor vuur, want als het eenmaal begon te branden in het dorp dan was de ramp niet te overzien. Waarschijnlijk is daarom toch maar gekozen om de brandstapel op een veilige plaats op te richten. Die plek op de Strabrechtse Heide lag op de grens van Mierlo en Heeze, op korte afstand van de gemeente grenzen van Geldrop, Lierop en Someren. Er waren veel paden over de hei die deze gemeentes met elkaar verbonden. Het is dan ook aannemelijk dat er veel (voet)verkeer over de hei plaatsvond. De Galgenberg (het deel berg verwijst daar naar) was wat hoger gelegen en dus van een afstandje goed zichtbaar. De plaats van de brandstapel was dan ook voor de reizigers over de hei goed zichtbaar.

Op de Galgenberg treffen we Jenneken Gordtkens aan. Jenneken vertelt haar verhaal op een heel bijzondere manier. Ze maakt geen gebruik van haar stem maar neemt de fietsers via tekstplaten mee in haar verhaal. Dit verwijst naar 1595, want toen was Jenneken ook niet zo spraakzaam, zo blijkt uit de stukken.
Jenneken wordt samen met Lys, Heijl en Lyncken op 12 september opgepakt. Op dezelfde dag legt ze de waterproef af en wordt voor de eerste keer aan verhoor onderworpen. Tegen Jenneken zijn – net zoals bij Heijl – geen echte beschuldigingen ingebracht, dus moeten de schepenen die aspecten bij het verhoor inbrengen. Jenneken houdt haar mond zoveel mogelijk dicht. Zonder dat de stukken daar echt over spreken, is aannemelijk dat bij haar meer dwang is gebruikt. De beul lijkt bij dit verhoor meer werk gehad te hebben. Ondanks dat lukt het niet om op deze dag bij Jenneken een bekentenis los te krijgen. Op de 13e september wordt het verhoor voortgezet. Nadat de nodige dwang is uitgeoefend bekent Jenneken dat ze omgang met de duivel heeft gehad. Ze noemt haar boel Lucifer en hij verschijnt als een man van middelbare leeftijd in een blauwe wijdvallende cape-jas met daarbij een zware hoed met witte veren. Zij deelt haar boel met andere vrouwen die ook met hem gemeenschap hebben en hij heeft bij haar het Chrisma van het hoofd gekrabd, net zoals dat in de andere bekentenissen naar voren komt. Verschil in het verhaal van Jenneken is dat Lucifer haar geen rijkdom heeft aangeboden. Voor slechts één gulden heeft ze zich aan hem verkocht en ingestemd met het vervullen van zijn wensen. Ook op een ander punt wijkt Jenneken in haar bekentenis van de anderen af. Zij noemt geen enkele andere naam en bekent ook geen zelfstandig tovenarij. Zij heeft alleen meegeholpen met acties van de anderen, zo doet het verslag van de bekentenis ons geloven. Alles ademt dat Jenneken haar ondervragers als beste heeft weerstaan en dat haar bekentenis sterk in het teken van de beul heeft gestaan. Maar het heeft haar niet veel geholpen.

naar boven

Anneken Boons-Baten (Lyncken Pastoirs)

Na de indrukwekkende stilte van de monoloog zonder woorden op de Galgenberg gaat de fietstocht verder over de hei, terug naar Mierlo. De fietsers passeren het gebied waar het kasteel heeft gestaan en bereiken via de Trimpert de Zwanenweijer. Daar treffen de fietsers een heel andere figuur aan. Geen heks of (vermeend) slachtoffer van tovenarij maar een dame, afkomstig uit Leuven. Ze heeft plaatsgenomen op het bankje en spreekt de fietsers toe. Uit haar tas haalt ze een brief die zo onlangs ontvangen heeft van de pastoor van Mierlo. Deze brief doet haar rillen en ze weet haar tranen nauwelijks te bedwingen. Deze dame is Anneken Boons-Baten en ze is de weduwe van Jacob Boons, de broer van Catharina Boons, beter bekend als Lineke Boons. Lineke is – al 7 jaar - de pastoorsmeid van pastoor Verrijt in Mierlo en wordt daarom in Mierlo ook wel Lyncken Pastoirs genoemd.


Anneken heeft dus een brief van pastoor Adriaan Verrijt gekregen. Geschreven 16 oktober 1595, dus bijna een maand na de excecutie, waarin hij schrijft dat Lineke overleden is.
Anneken leest voor wat Verrijt schrijft: ´Anneken Boons, seer lieve ende beminde vriendinne. Uit groote benautheijt en bitterheijt mijnder herten wordt ghedwonghen U.L. midts deze ongeheluckighe tijdinghe u te bedroeven, onvermidts dije dood en aflijvicheijt uwer liever ende beminder suster Catharina Boons, mijn aldergehetrouwste dyenaresse.’  Verrijt wijdt in de brief niet uit over de omstandigheden waaronder Lyncken gestorven is, geen woord over de beschuldigingen van tovenarij en haar veroordeling. Hij schrijft wel dat zij onschuldig gestorven is en dat hij er veel verdriet van heeft. Hij gebruikt zijn verdriet mede om de informatie die hij aan Anneken verstrekt beperkt te houden. Dit blijkt uit wat Anneken verder voorleest uit de brief: ‘Ick sou breeder scrijven, mer mij verwondert dat ick dezen brief met drooghe oogen heb connen ghescrijve overmets mijn ontspreken rou ende droefheijt over het verlies van den oegenappel van mijn oeghe.’.


Anneken heeft echter wat meer informatie want ze weet in haar monoloog aan de fietsers haarfijn aan te geven dat Adriaan Verrijt een hoge dosis schijnheiligheid vertoont en zich meer om eigen lijf en leden bekommert dan om die van zijn Lyncken. Anneken laat de fietsers van het huidige Mierlo vertrekken met de boodschap dat ze vindt de huidige pastoor er één is van een heel ander type en dat de Mierlonaren anno 2017 daar heel tevreden mee mogen zijn.
Terug naar 1595, waar op 4 september de schout van Mierlo een tweetal belastende verklaring optekend over Lyncken Pastoirs De eerste is van Aert Willems die verklaart dat hij van mening is dan de pastoorsmeid niet helemaal zuiver is van tovenarij. Lyncken heeft enige tijd geleden op straat zijn jongste kind een kus op het hoofd gegeven en het kind werd daarna ziek en is gestorven. Die ziekte is overgegaan op zijn vrouw die er ook aan overleden is. Ook zijn vrouw schreef haar kwaal toe aan de betovering door Lyncken. Een tweede verklaring komt van schepen Willem Ghenen. Bij hem zijn een aantal beesten gestorven en hij is ervan overtuigd dat de oorzaak daarvan ligt in de betovering door Lyncken. Hij heeft van zijn knecht gehoord dat Lyncken heeft staan dansen op de kuilen waarin de beesten begraven zijn en dat meerdere keren. Hij beschouwt dit als een duidelijk teken van hekserij. Ook zijn vrouw was die menig toegedaan en zij heeft er meermaals met Lyncken ruzie over gemaakt.
Hiermee is de situatie van Lyncken heel anders dan die van de andere beschuldigde vrouwen. Bij Lyncken zijn er echt duidelijke beschuldigingen en die worden door Erasmus graag gebruikt. Een andere reden waarom hij het mogelijk op de pastoorsmeid voorzien heeft is de onenigheid die Erasmus had met pastoor Verrijt. Ze hadden onlangs nog een verschil van mening over de grens van belendende percelen.


In Mierlo is het een publiek geheim dat de relatie tussen Verrijt en Lyncken meer is dan die van een dienstbetrekking. Voor pastoor Verrijt is het een penibele situatie, hij staat voor een moeilijke keuze. Erasmus heeft de troeven in de hand als hij Lyncken, nadat zij genoemd is door Marie Baten, op 12 september heeft laten oppakken. Als de pastoor zijn meid te zeer verdedigt, terwijl er toch heel duidelijke belastende verklaringen zijn, loopt hij een groot risico dat van Grevenbroeck zijn pijlen rechtstreeks om hem zal richten. Hij heeft er heel weinig zin in om van hekserij te worden beschuldigd en onderworpen te worden aan de scherpe examinering. Hij maakt dus de keuze om zich maar gedeisd te houden en daarmee zijn geliefde Lyncken op te offeren. Als Lyncken dan ook nog blijft drijven bij de waterproef dan wordt het voor Verrijt mogelijk nog twijfelachtiger of ze wel echt onschuldig is. We weten dat in de bibliotheek van de pastorie de Heksenhamer stond en dat die ook geraadpleegd werd. Verrijt twijfelde mogelijk wel oprecht aan het onschuldig zijn van Lyncken.
Bij de ondervraging van Lyncken, waarbij de beul Meester Hans betrokken was, heeft ze op de vraag welke mensen en beesten ze betoverd heeft als eerste geantwoord: de Heer van Mierlo. Ze geeft aan dat ze zowel Erasmus zelf, als ook zijn paarden betoverd heeft. Ook bekent ze de betovering van de beesten van Willem Ghenen en van de vrouw van Mattijs de Smet. In hoeverre de bekentenis soepel tot stand gekomen is, weten we niet. Wel is in de verslaglegging terug te vinden dat de beul aan ‘twee of drie lichte slaagkens’ voldoende had om de bekentenis los te krijgen.


Erasmus heeft ten opzichte van de schepenen verklaard dat hij al enige tijd een ziekte in het lijf heeft, pijn op het hart en in de rug, die vanuit zijn rug in de benen trekt en zo krachtig is dat hij steeds met een stok moet lopen. Nu Lyncken verklaard heeft dat ze Erasmus met slechte peren betoverd heeft omdat hij steeds onenigheid heeft met haar werkgever, is het voor Erasmus klip en klaar. Lyncken is de heks die hem aan zijn kwaal geholpen heeft. Hij laat zich door haar onttoveren, dat wat hij aan anderen niet heeft toegestaan (de zoon van Claes Ariens en de vrouw van de Smet). Het heeft blijkbaar goed geholpen wat hij raakt van zijn kwaal af en heeft nog een lang leven voor zich. Daarnaast is de bereidheid van een heks om haar slachtoffer te onttoveren op zich ook weer een schuldbekentenis aldus de Heksenhamer.
Lyncken heeft in haar bekentenis verklaard het toveren al geleed te hebben in haar tijd als dienstbode in Leuven. Ook toen ze in dienst was bij de bisschop van Den Bosch, hield ze zich met deze praktijken bezig. Je heeft met haar boel, die ze Satanas noemt en die zich vertoont als fraaie, in het zwart geklede jongeling, gedanst op het St.Jans Kerkhof. Satanas is ook degene die haar meegenomen heeft naar de dans bij Lys Cuypers in Mierlo, waar ze haar praktijken heeft voortgezet. Kortom een overweldigende hoeveelheid bewijzen waar de schepenen niet omheen konden.


Toch had het voor Lyncken heel anders kunnen aflopen als Adriaan Verrijt zich anders had opgesteld. Op zaterdag 16 september kreeg hij in de vroege avond bezoek van een man die die vertelde dat Lyncken hem had gevraagd of hij de pastoor wilde waarschuwen en vragen of de pastoor bij Lyncken wilde komen. Verrijt vond het blijkbaar al te laat op de avond om nog in actie te komen, want we lezen in een latere brief van hem: ‘Omdat het al avond was en ik me al te ruste had begeven, heb ik dat geweigerd.’ Op zondagmorgen is de man nogmaals bij hem gekomen met dezelfde vraag. Hij vertelde dat hij op zaterdagavond wel een uur met Lyncken had gesproken en dat Lyncken had gezegd onschuldig te zijn en dat de tranen over haar kleren liepen. Hij meldde de pastoor: ‘Als er een vrouw is die je kunt geloven, heeft zij geen schuld.’ De pastoor staat wederom in tweestrijd. Moet hij naar het kasteel gaan en bij Erasmus haar onschuld bepleiten, met alle risico’s die daar voor hem als persoon aan verbonden zijn en met het risico dat Lyncken opnieuw gefolterd zal worden voor een nieuwe bekentenis, of moet hij het laten rusten. Uiteindelijk besluit hij naar het kasteel te gaan, maar met beperkte overtuiging. Zoals uit het gesprekrelaas met van Grevenbroeck blijkt wanneer die de pastoor niet bij de gevangene wil toelaten:
Van Grevenbroeck: Ge komt er niet in, er is geen sleutel. De knecht is ermee ter kerke.
Verrijt: Als ik er niet naar toe kan, heb ik iets tegen u te zeggen.
van Grevenbroeck: Wat dan?
Verrijt: Heer van Mierlo, het moge duidelijk zijn dat ik niet uit eigen bevindingen spreek, omdat ik niet bij Lyncken geweest ben, maar ik begrijp van anderen dan mijn dienstbode onschuldig is.
van Grevenbroeck (met een valse lach): Ik hoor wel dat ge haar weer graag bij u had!
Verrijt: Heer, daar gaat het niet om. Maar als het niet anders kan is het mij voldoende u dit gezegd te hebben, zodat ik mijn geweten rein kan houden.
van Grevenbroeck: Ja, houdt gij uw geweten maar rein, dan zal ik dat met het mijne doen.

De pastoor druipt weer af en van Grevenbroeck zal het voorval weer snel vergeten zijn. Had Verrijt met zijn kennis uit de Heksenhamer, waarin staat dat heksen niet in staat zijn om te huilen, het verhaal van Lyncken en haar bezoeker goed voor het voetlicht gebracht dan hadden de schepenen mogelijk anders besloten. Daarnaast is het geldend recht dat als een aangeklaagde een bekentenis herroept, deze dan niet meer geldig is en opnieuw verkregen moet worden. Lyncken heeft tegen haar bezoeker gezegd dat ze niet schuldig was, een duidelijke herroeping, maar deze werd door de schepenen en Erasmus niet gehoord. Adriaan Verrijt had hier meer mee kunnen doen, maar was waarschijnlijk te bang. Dat Verrijt op de hoogte was blijkt ook uit een notitie van de Abt van de broeders uit Weert die schrijft dat Verrijt hem heeft toevertrouwd dat Lyncken inderdaad haar beschuldigingen terugnam, het was de pijniging door de beul die haar de leugens deed verkondigen. Hij noteert ook dat de aantijging richting Adriaan Verrijt serieus was. Lyncken had verklaard dat ze samen met de pastoor en de duivel in één bed had geslapen. Deze bekentenis had voor Verrijt verstrekkende en vervelende gevolgen kunnen hebben, aldus de Abt.
De relatie tussen Verrijt en van Grevenbroeck wordt ook nog eens duidelijk door de laatste onderstreept als hij voor de executie van Lyncken een boom laat rooien op het land van de pastorie.

naar boven

De veroordeling van de Mierlose heksen

Nadat de waterproef voor alle 5 de vrouwen, Marie, Heijl, Lys, Jenneken en Lyncken, negatief is uitgevallen en ze allemaal, al of niet onder de druk van de scherpe examinatie, hun daden bekend hebben en deze bekentenis enkele keren zonder druk hebben bevestigd is het aan de schepenen om het vonnis te vellen. Opvallend is dat de schepenen erin geslaagd zijn om de vrouwen allemaal overeenkomstig te laten bekennen. Er is een grote gelijkluidendheid in de bekentenissen zoals die zijn opgeschreven. Het zou natuurlijk ook kunnen zijn dat de schepenen niet zo erg geïnteresseerd waren in het echte verhaal van de aangeklaagden, maar alleen datgene hebben gehoord en opgeschreven wat nodig was om het Heer van Mierlo, Erasmus van Grevenbroeck, tevreden te stellen. Opvallend is ook dat bij de verhoren van de Mierlose vrouwen de beul niet veel werk heeft gehad. In de verslagen is steeds sprake van een snelle vrijwillige bekentenis of slechts een lichte druk (één of twee slaagkens waren voldoende). Alleen op Jenneken Gordtkens is waarschijnlijk wat meer druk uitgeoefend. Van stevige folteringen, zoals de wipgalg, lijkt nu geen sprake te zijn geweest. Bij de processen die enige tijd later zullen volgen in Asten onder het bewind van Bernard van Merode is dat wel anders.

Op 18 september vroeg in de morgen spreken de schepenen uit: ‘dat onvermidts den delicten van toovereijen ende anderen bij den gevangen respective gecommitteert ende naerder in elcx ende eenijgelijcx confessie wtgedruct, deselve respective verbeurt te hebben hen lijff ende goet ende daerom sullen worden geexecuteert van lijffve metten vuijer in vueghen datter de doot naevolghe. Behoudelijck nochtans dat die ghene van den gevangenen die bevonden sullen worden van hennen delicten te resipisceren ende waerachtelijk daer af te peniteren, sullen voer al vuijt gratien ierst worden geworght daer innen de gehvanghene respective condempnerende.’

(dat vanwege de delicten van tovenarij en andere die door de gevangenen zowel zijn toegegeven als nader in een gelijkluidende bekentenis vastgelegd, de betreffenden respectievelijk verbeurd hebben hun lijf en goed en daarom zullen worden geëxecuteerd door het vuur zodat de dood erop volgt, met de toevoeging dat degenen van de gevangenen die hun misdaden eerlijk bekennen en waarachtig berouw tonen, vooraf uit genade eerst zullen worden gewurgd. Hiertoe die gevangenen respectievelijk veroordelend. Vertaling naar Johan Otten)


De verbranding van de heksen was een noodzakelijk iets. Zowel uit de kerkelijke leer als uit de Heksenhamer blijkt dit. Door het verbranden van het lichaam en met name van het hart, werd de duivel definitief verdreven en de ziel gezuiverd. Zo kon, Deo volente, de ziel toch worden opgenomen in het hemel.
De schepenen zijn clement voor de heksen, want aangezien ze allemaal netjes bekend hebben en hun spijt betuigd hebben, wordt gratie verleend in die betekenis dat de vrouwen voordat ze op de brandstapel belanden door wurging om het leven zullen worden gebracht. Na het uitspreken van het vonnis worden de vrouwen op een kar naar de Galgenberg op de Strabrechtse Heide gebracht, waar de beul Meester Hans de brandstapel inmiddels in orde heeft gemaakt. Of de vrouwen voor het oog van de toeschouwers zijn gewurgd is niet bekend. Onder grote belangstelling, want de Heer van Mierlo stond erop dat de mensen kwamen kijken, werden de vrouwen verbrand en was Mierlo gezuiverd van hekserij. Tenminste er vinden geen verdere veroordelingen meer plaats. In de komende weken gaat Erasmus wel verder met zijn vervolgingsbeleid in andere delen van zijn Heerlijkheid. 7 Vrouwen uit Lierop en 3 uit Mierlo-Hout zullen hierbij veroordeeld worden. En ook tenminste 1 vrouw uit Mierlo krijgt nog te maken met de vervolgingsdrang van Erasmus. Het verhaal van Anneken Thijs – uit Lierop - is geromantiseerd beschreven in de publicatie Mierlose Heksenverhalen van Rinie Weijts.

Van de heksen werd niet alleen het lijf verbeurd verklaart (wat de doodstraf inhield) maar ook het goed. Dit hield in dat alle goederen, eigendom van de veroordeelde, vervielen aan Erasmus. Dit was gebruikelijk in die tijd waardoor de kasteelheer gedeeltelijk in de kosten van de gevangen bewaring werd gecompenseerd, immers hij moest een ruimte ter beschikking stellen, de bewaking regelen, de kosten van de examinatie betalen, de gevangenen van wat water en voedsel voorzien en het vonnis laten voltrekken, ook maakte hij kosten voor de Broeders Dominicanen uit Weert die de veroordeelden in de laatste uren bijstonden. Aangezien de meeste vrouwen arm waren hield dit niet zoveel in, zodat het geheel Erasmus toch een aardige gekost moet hebben. Uit de brieven van Adriaan Verrijt weten we dat alle eigendommen van Lyncken Pastoirs en zelfs het loon wat ze nog van hem tegoed had, door Erasmus werden opgeëist. Pastoor Verrijt schreef aan  Annekenn Boons dat er slechts “een slecht hemdeke, een wollen hemd en een rozenkranske” was overgebleven. Het rozenkranske stuurde hij met de brief mee. Bij de meeste gezinnen van de veroordeelden heeft Erasmus geprobeerd een gedeelte van de kosten te verhalen maar het ziet er naar uit dat dat niet zo goed gelukt is. Hij zette hoog in en kwam in de meeste gevallen met slechts een klein bedrag terug.

naar boven

Baetken Baten

De fietstocht gaat na de monoloog van Anneken Boons terug naar de kom van Mierlo. De fietsers komen aan in de tuin van de huidige pastorie en treffen daar Baetken Baten, de dochter van Marie Baten. Inmiddels zijn er vele jaren verstreken, want we spreken Baetken na het overlijden van Erasmus van Grevenbroeck.  De kwaal waaraan hij leed en die hij blijkbaar kwijtraakte na de onttovering door Lyncken Pastoirs heeft hem waarschijnlijk goed gedaan. Hij heeft nog 38 jaar geleefd en sterft op 81-jarige leeftijd in 1631. Opvallende is de sterfdatum 18 september, precies de dag waarop de Mierlose heksen in 1595 verbrand zijn.
Baetken vertelt de fietsers dat het inderdaad niet boterde tussen de pastoor en de kasteelheer. Ook vertelt ze dat van Grevenbroeck nadat haar moeder op de brandstapel was verbrand langs kwam en dat alles verbeurd verklaard was. Hij wilde geld hebben voor de zorg die hij aan Marie gegeven had. Het gezin van Marie was arm, maar daar had Erasmus geen boodschap aan. Hij vroeg wel 100 guldens als onkostenvergoeding. De kinderen Baten hebben hem toen, volgens Baetken, uitgelachen want dat was immers een immens bedrag voor hen. Hij verlaagde als ras naar 50 guldens, maar ook dat was nog niet haalbaar. Uiteindelijk nam hij genoegen met 18 guldens. Ze moesten bijna alles verkopen om aan zijn eis te voldoen, tot zelfs de bijenvolken die Marie beheerde toe. Ze raakten zo niet alleen hun bezit maar ook nog eens de inkomstenbronnen kwijt. Baetken weet te vertellen dat ze gelukkig weer een aantal bijenvolken hebben kunnen bemachtigen. Zodoende kunnen ze weer wijn van de honing maken, iets wat Baetken zich – nog steeds - goed laat smaken. Ze proost nog een keer op de overleden Heer en heksenhater en bedankt iedereen voor de belangstelling, want hiermee is de fietstocht ten einde.


Met de terechtstelling op 18 september 1595 kwam een einde aan de vervolging van slechts één week in Mierlo. Het ging door in Lierop, Mierlo-Hout, Asten en Someren.

naar boven

Mierlo-Hout

Op 14 september toen Marie Baten nog eens werd ondervraagd. Dit om haar bekentenis opnieuw bevestigd te krijgen maar ook om zo mogelijk nog nieuwe informatie te verkrijgen, dan wel vermoedens door haar te laten omzetten in beweringen. Met enige aandrang wordt aan Marie gevraagd of ze nog meer namen heeft van medeplichtigen in het betoveren van mensen, dieren of gewassen. Ze noemt dan de namen van drie vrouwen uit ‘t-Hout. Dit is dan een buurtschap in de noordhoek van de Heerlijkheid welke bestaat uit een kapel (de Sint Agathakapel, die stond ongeveer op de plaats van de huidige Sint Lucia kerk in Mierlo-Hout) met daarbij enkele huizen en een herberg, met daarom heen enkele boerderijen. Een van de vrouwen – Judth van Dorren – wordt ook in een verhoor in Lierop genoemd. Dat is voldoende, twee streepjes achter de naam is reden genoeg om opgepakt te worden. Judth wordt opgehaald en gevoegd bij de vrouwen uit Lierop die de waterproef moeten ondergaan. Daarna wordt Judth ondervraagd en noemt ze de namen van Margriet Muls en Theun Eumans. Dezelfde namen die ook Marie Baten heeft genoemd. In hoeverre die namen door de schepenen aan Judth zijn voorgehouden blijft natuurlijk de vraag. Opvallend is dat de vrouwen uit Mierlo-Hout ondervraagd worden door de schepenen uit Lierop en niet door die uit Mierlo. Dit zou toch eigenlijk gepast hebben in de normale rechtsgang. Erasmus van Grevenbroeck keek wat dit betreft niet zo nauw. De Lieropse schepenen waren met hun verdachten bezig en konden die drie uit Mierlo-Hout er wel gewoon bij nemen. Er waren ook niet zoveel beschuldigingen uit de Mierlo-Houtse gemeenschap. Aan de vermeende slachtoffers is gevraagd of ze dachten dat hun beesten, gerst of kinderen iets was overkomen door tovenarij. Ze houden zich op de vlakte en zeggen dat dat best zou kunnen, maar dat ze dat niet weten. Bijzonder is ook dat in de verklaringen van de verdachte vrouwen te lezen valt dat ze hun eigen beesten hebben betoverd. Het waarom hiervan is niet duidelijk. Als de vrouwen in hun ondervraging aangeven dat ze gedanst hebben met hun boels, die de namen Barlebas, Eenhoorn en Lucifer dragen, dat die hun geld beloofd hebben en het Chrisma van hun hoofd hebben gekrabd. En als dan ook nog blijkt dat ze dat samen met ‘die persoonen lest tot Mierlo geexecuteert mette brande” gedanst hebben nabij de kerk van Mierlo en in het Oud Goor, is de zaak rond. Er wordt dan ook niet veel moeite meer gedaan om nog meer verklaringen te krijgen en die netjes op te schrijven. Het blijft bij summiere notities die net goed genoeg zijn voor een veroordeling. Een week na de executie in Mierlo worden deze drie vrouwen – op 25 september - veroordeeld tot de brandstapel, samen met 7 vrouwen uit Lierop. Het vonnis luidt hetzelfde als dat in Mierlo. Voor één van de vrouwen uit Lierop gold een uitzondering. De 90-jarige demente Griet Mijnsheren heeft geen spijt betuigd, waarschijnlijk wist ze helemaal niet wat er gebeurde, en ze kwam daarom niet voor de gratie in aanmerking. Zij werd dus veroordeeld tot levende verbranding. Wanneer het vonnis voltrokken is, is niet bekend, maar dat zal spoedig daarna gebeurd zijn.

naar boven

Lucia Fransen

In het verhaal over de heksen van Mierlo in 1595 mag Lucia Fransen niet ontbreken. Zij is de dans ontsprongen, maar haar verhaal is daardoor niet minder interessant en zegt veel over hoe Erasmus met het recht omging.

In haar verklaring van 14 september noemt Marie Baten de naam van Sije Franssen, hiermee doelende op Lucia Janssen, de 69-jarige weduwe van Frans Michiels Wijtphens. Tussen Lucia en Marie, die bij elkaar in de buurt woonden, boterde het niet en het lijkt er dan ook op dat Lucia gelijk heeft als ze verklaard: ‘Marie Baten draagt mij een kwaad hart toe, wat tot de beschuldiging heeft geleid’. De beschuldiging van Marie heeft echter niet geleid tot het oppakken van Lucia. In september wordt met die informatie niets gedaan. Pas enkele maanden later, eind november, als de storm van de processen in Peelland eigenlijk al is gaan liggen, laat Erasmus Lucia Fransen alsnog oppakken. Inmiddels wordt er vanuit de centrale overheid anders over de heksenprocessen gedacht en is Erasmus voorzichtiger geworden. Hij laat Lucia oppakken zonder de schout en schepenen er bij te betrekken. Lucia moet de waterproef ondergaan, waarvoor op 8 november vanuit Brussel een verbod voor de zuidelijke Nederlanden is afgekondigd. Erasmus laat de proef niet met zoveel ruchtbaarheid afleggen als in september. Er wordt niet gekozen voor het diepe water bij de watermolen op Stipdonk, maar voor een ondiep turfgat op het grondgebied van de Heer van Mierlo. Er is geen beul bij betrokken maar slechts enkele familieleden van Lucia. Er komt ook geen formele aanklacht. Lucia wordt opgesloten in een uithoek van het kasteel, een geheim hol waar Erasmus zijn laatste slachtoffer ongezien een poosje kon verstoppen. In een later onderzoek is te lezen: ‘Twaalf etmalen zat ze in haar kille, bedompte cel onder de grond, waar ze noch zon noch maan te zien krijgt. Hangend in de palei, de takel waarmee ze aan haar achter haar rug gebonden handen is opgehesen, moet ze martelingen ondergaan.’ De schout van Mierlo beschrijft haar cel desgevraaagd als ‘een zeker kelderke, dat daar onlangs is ontdekt’. Van de ondervraging van Lucia is geen verslag bekend, waarschijnlijk zijn er naast de beul en Erasmus geef formele gezagsdragers aanwezig geweest. Erasmus weet aan Lucia te melden dat ze schuldig is bevonden en zal moeten sterven tenzij ze hem 300 guldens betaald en de naam van een andere heks noemt, zodat die kan worden vervolgd. Hoe het precies gelopen is weten we niet. Duidelijk is wel dat ook nu Erasmus zijn vraagprijs vrij snel bijstelde naar beneden. Hij nam genoegen met een bedrag van 150 guldens, waarvan Lucia er 50 meteen moest betalen en er 100, op grond van borgstelling van enkele familieleden, werd uitgesteld. Het lijkt erop dat Erasmus zich vergist heeft en dacht dat hij een veel rijkere weduwe te pakken had en nu tevreden moest zijn met veel minder. Lucia heeft een gedeelte van haar bezittingen moeten verkopen via een openbare verkoping om aan de schuld te voldoen. Naast deze afkoopsom kreeg ze ook nog de rekening van de beul (8 guldens), de waterproef en de verzorging tijdens de opsluiting (5 guldens). Het is niet bekend of Lucia de 100 guldens ook daadwerkelijk betaald heeft. Op grond van de onderzoeken die inmiddels gestart waren naar de vervolgingen van de heksen in Peelland is het niet uitgesloten dat Erasmus hier bakzeil heeft moeten halen en afgezien heeft van dit bedrag.

Heeft u een reactie op dit artikel, laat die gerust achter in ons gastenboek of stuur uw opmerking in via het contactformulier.

naar boven

Wilt u nog meer lezen?

(De uitgaven met [D] zijn digitaal beschikbaar)

- “Heksen” uit 1595 terug in Mierlo en Lierop; Artikel Mierlose krant 7-9-2017 [D]

- Duivelskwartier, Johan Otten, Uitgeverij Vantilt, 2015

- Mierlo van oorsprong tot heden, Jean Coenen, 2004

- Mierlose Heksenverhalen, Rinie Weijts, HKM, 1996 [D]

- Heks en Seks in Nederland, Emile  van Emstede, Peelland Fonds Deurne

- Het verbond van heks en duivel, Lène Dresen-Coenders, Uitgeverij Ambo bv, Baarn, 1983 [D]

- Dansen met de duivel,  Debbie Nijssen, 2016 [D]

- De aardige heks van Oudewater, sprookje van Rudi van der Velde, 2012 [D]

Het bovenstaande artikel is gebaseerd op informatie afkomstig uit deze bronnen. Afbeeldingen zijn afkomstig van (c) Henk van Sleeuwen of uit het publieke domein van internet. HKM gaat er vanuit dat de gebruikte afbeeldingen rechtenvrij zijn.








Ontwerp: Beeldmerk 
	ViziVormViziVorm | Realisatie: Bullit beeldmerk Apart InternetApart Internet | Webmaster: Hans Verhees